Kees van Overveld Maatwerk in gedrag en sociaal-emotioneel leren

‘Waarom doe je dat?!’

Functie en aanpak van probleemgedrag

Een belangrijke vraag voor leraren is waarom een leerling doet wat hij doet. Wat maakt dat de leerling steeds weer voor bepaald gedrag kiest? Wat bereikt hij met dat gedrag? Zitten er voor hem voordelen aan, ook al volgen er negatieve consequenties? In dit artikel staat de functie van het gedrag centraal. Als we probleemgedrag van leerlingen begrijpen, dan kunnen we ook efficiëntere oplossingen bedenken en uitvoeren. We zullen zien dat veel probleemgedrag in de klas is terug te voeren op vier gedragsfuncties. Een van die functies (ontsnapping) zal nader worden uitgewerkt.

Functies van gedrag

Hoe moeilijk en ergerlijk gedrag van leerlingen soms ook is, het is goed om te beseffen dat het meeste probleemgedrag niet is bedoeld als een persoonlijke aanval op de leraar. Het gedrag heeft wel degelijk een reden, het kan worden gezien als een vorm van communicatie. Als we snappen welke boodschap de leerling geeft, kunnen we onze ondersteuning daarop laten aansluiten.

Praktijkvoorbeeld

Wat doe je in de volgende situatie: je vraagt de leerlingen om het spellingschrift voor zich te nemen en één van de leerlingen weigert dit. Het is niet de eerste keer. De leerling kijkt je uitdagend aan en zoekt medestanders in de klas. Wat de leerling hoopt of verwacht is dat je hem uit de klas verwijdert en dat betekent: doel bereikt.

  1. Beoordeel de situatie

    Je stelt jezelf een aantal vragen: ‘Had ik het gedrag kunnen voorkomen? Is het gedrag dat wordt afgekeurd wel aangeleerd als gedragsverwachting? Heeft de leerling de vaardigheden om het gedrag te kunnen tonen en was mijn opdracht duidelijk genoeg?’

  2. Ga door met de les (‘Keep the flow of instruction’)

    De leerlingen die wel het gewenste gedrag vertonen, krijgen als eerste aandacht, een positieve bekrachtiging. Pas daarna krijgt het probleemgedrag de aandacht.

  3. Richt je op de leerling en herhaal de opdracht

    Er is een mogelijkheid dat de leerling de opdracht niet heeft gehoord. Je loopt naar de leerling en herhaalt op fluistertoon de opdracht.

  4. Verbreek het contact, richt je op anderen en observeer

    Een veelgemaakte fout is dat een leraar wacht totdat de leerling het gewenste gedrag laat zien. Deze manier van werken kan een machtsstrijd uitlokken: zolang de leraar blijft staan, verroert de leerling geen vin. Het is juist krachtig om na het verstrekken van de opdracht het contact te verbreken en andere leerlingen positieve aandacht te schenken. Ondertussen houd je de leerling vanuit je ooghoeken wel in de gaten.

  5. Leg de verantwoordelijkheid voor een beslissing bij de leerling

    Er zitten vier aspecten aan deze stap:

    • Het kan erg lastig zijn als een leerling door een aanpak wordt verrast. Je kan daarom bij de start van het schooljaar uitleggen hoe je reactie zal zijn als de zaken mislopen. Een sanctie zal daardoor eerder worden geaccepteerd omdat deze niet uit de lucht komt vallen.
    • Het contact is niet-confronterend. Je blijft te allen tijde kalm en respectvol naar de leerling. In emotionele situaties is het aan te raden een zakelijke toon te gebruiken.
    • Je verpakt je verzoek als een besluit. Zeg bijvoorbeeld: ‘Michael, je bent gevraagd om met je spelling te starten. Als het niet gebeurt zal je het tijdens de pauze moeten maken. Je krijgt een paar seconden om te beslissen wat je doet.’ Vervolgens verbreek je het contact en je loopt naar andere leerlingen.
    • Als de leerling zijn gedrag aanpast, wordt hij daarvoor beloond. Gedraagt de leerling zich niet dan zal de consequentie worden uitgevoerd.
  6. Stap 6 – Debrief op een later tijdstip

    Op een later tijdstip, als de emoties zijn verdwenen en de consequentie is uitgevoerd, wordt het incident besproken. Dit kan met drie eenvoudige vragen: Wat heb je gedaan? Waarom deed je het? Had je ook iets anders kunnen doen?

De beschreven techniek kan worden opgevat als een vorm van basisondersteuning binnen passend onderwijs. Het is de uitdaging voor iedere leraar om passende acties te bedenken bij de vier functies van probleemgedrag.

Bronnen