Kees van Overveld Maatwerk in gedrag en sociaal-emotioneel leren

Op stap met de wijkagent

Op vrijdagavond 26 april 2013 deed Kees van Overveld live Twitterverslag van zijn werkbezoek aan de Rotterdamse wijk Crooswijk. Hij ging samen met de wijkagenten Sander Boer en Tom van Drunen op patrouille. In dit artikel vertelt Van Overveld aan de hand van tweets zijn belevenissen en geeft hij zijn visie op de aanpak van jongeren met gedragsproblematiek in de wijk.

Ik heb vanavond een afspraak met Sander Boer, wijkagent in Crooswijk, een van de zogenaamde volkswijken van Rotterdam. Boer is een innovatieve agent; via zijn Twitterberichten zoekt en onderhoudt hij contact met de bewoners in de wijk. Er gaat deze avond ook een collega-wijkagent mee: Tom van Drunen. Het gebied waar wij tijdens deze dienst patrouilleren, komt op mij over als een sombere leefomgeving. We rijden door straten met grauwe portiekwoningen, veelal gegroepeerd om saaie speelpleinen met weinig groen. Met mijn omschrijving van de wijk zijn de echte Crooswijkers het waarschijnlijk niet eens. Een van de wijkbewoners reageert op mijn tweets met het bericht dat hij zijn wijk niet herkent in mijn berichtjes en dat ik vooral niet moet vergeten om ook de gezellige kant van Crooswijk te benadrukken. Waarvan akte.

We zijn nog geen vijf minuten onderweg of de eerste achtervolging is een feit. Agent Van Drunen spreekt vanuit de auto een jongere aan met de voornaam; het is zoals dat heet “een goede bekende van de politie”. De jongen zet het direct op een lopen. Terwijl agent De Boer er te voet achteraan gaat, scheuren Van Drunen en ik in het politiebusje door de Rotterdamse straten. Na een korte achtervolging wordt de jongere ingehaald. Vanwege het agressieve gedrag en de goed ruikbare dranklucht wordt de jongen direct aangehouden. Als de agenten navraag doen, blijkt hij te zijn weggelopen uit de instelling waar hij wordt behandeld vanwege langdurende psychiatrische aandoeningen. Gezien de ernst van de problematiek besluiten de agenten de jongen terug te brengen naar de instelling. Tijdens de rit van een kwartier volgt er een indrukwekkende tirade van verwensingen en doodsbedreigingen; het aantal woorden met “kanker” is niet meer te tellen. Af en toe wordt de arrestant ook naar mij heel persoonlijk (“Ik fuck je moeder!”). Wat opvalt is dat de agenten heel kalm blijven en niet reageren op de verbale intimidaties. Er is ook geen direct oogcontact. Door deze houding voorkomen ze verdere escalatie van het gedrag.

Op de instelling wordt mij duidelijk dat ons rechts- en zorgsysteem aan alle kanten wringt. De jongen heeft intensieve hulp nodig en dient eigenlijk langdurig binnen de gesloten afdeling te verblijven. Echter, bij goed gedrag heeft hij recht op vrijheden, zo verklaart een verpleegkundige. Tijdens zo’n vrij moment heeft de jongen de benen genomen. Het blijkt niet de eerste keer. De jongen is in de afgelopen weken al vaker opgepakt door de politie vanwege strafbare feiten. Het is een patroon dat het werk van de agenten heel frustrerend maakt.

Het gaat inmiddels schemeren in Crooswijk. De jongeren op straat hebben hun capuchons over het hoofd getrokken zodat er weinig van de gezichten herkenbaar is. Als het politiebusje komt aangereden heeft dat een bijzonder effect: groepjes jongeren waaieren snel uiteen. Bijzonder om te zien.

Deze wijkagenten zijn een kei in hun werk. Ze kennen vrijwel iedere jongere bij naam. Niemand is anoniem en dat heeft een positieve uitwerking op het gedrag. Opvallend is de benadering die de agenten kiezen: ze pikken een jongere uit en spreken deze met de voornaam aan. Vervolgens knopen ze een gesprekje aan waaruit blijkt dat ze de jongere en zijn achtergrond goed kennen: “Hoe is het nu thuis met je vader?”, “Twee weken geleden ben je opgepakt met een mes op zak. Vertel eens, waarom droeg je dat eigenlijk bij je?”, “Wat zijn de plannen voor vanavond?” en: “We hebben je al een tijdje niet meer in deze wijk gezien. Waar was je?”. Door deze persoonlijke benadering bouwt de wijkagent gestaag aan de relaties met de jongeren in de wijk.

Het wordt mij duidelijk dat wijkagenten de oren en ogen van de buurt zijn. De vraag is of wijkagenten in de nabije toekomst nog zoveel kunnen investeren in hun werkgebied. Door veranderingen in de politieorganisatie wordt een flexibelere inzet van politiemensen mogelijk. Het is dan niet meer vanzelfsprekend dat wijkagenten in hun eigen buurt worden ingezet. Het lijkt me dat daarmee veel wijkspecifieke kennis over (criminele) jongeren verloren zal gaan.

Tijdens deze patrouille zit ik op de achterbank van het politiebusje. Op deze avond zijn er vooral jongeren op straat. Het is heel bijzonder om te ervaren hoe doordringend sommige personen naar je kijken. Als leek voel je je daar heel ongemakkelijk bij.

Wijkagent De Boer vertelt dat hij zijn raampje altijd op een kier heeft zodat hij ook geluid heeft bij de vaak intimiderende blikken. Als er iets vervelends wordt gezegd, hoort hij dat direct. Wijze les: agressie niet negeren, meteen reageren.

Als de avond vordert, zie ik allerlei parallellen tussen het werk van de wijkagent en dat van de leraar. Beide beroepen vragen om een specifieke houding ten aanzien van jongeren. Aan de ene kant behandel je iedereen beleefd, netjes en met respect. Humor is daarbij onmisbaar. Aan de andere kant is het goed om zo nu en dan een duidelijke lijn te trekken: tot hier en niet verder.

Een van mijn volgers vraagt halverwege de avond of ik dit werkbezoek als zinvol ervaar. Ik antwoord haar dat ik het als gedragsdeskundige verrijkend vind om te zien hoe een andere beroepsgroep in de praktijk omgaat met jongeren en agressie. Die andere beroepsgroep betreft niet alleen de wijkagenten maar ook de medewerkers van het buurthuis. Met die medewerkers maken we kort een praatje. Het buurthuis heeft een belangrijke functie in de preventie van gedragsproblematiek. De jongeren die ik spreek, zijn erg blij met deze voorziening. Ze geven aan dat het belangrijk is dat je een plek in de wijk hebt, waar het veilig en plezierig toeven is.

Rond half twee ’s nachts zit mijn bezoek erop. Het was goed om te gast te zijn bij de politie. Het scherpt je inzicht hoe je het beste om kunt gaan met jongeren die ernstig probleemgedrag vertonen. Het is mij duidelijk geworden dat er in een wijk veel partijen zijn die zich met (criminele) jongeren bezig houden. Wat mijns inziens wenselijk is, is een innige samenwerking tussen die partijen, zowel preventief als curatief. De zogenaamde ecologische visie geeft daarbij handvatten. In de ecologische visie gaat men er van uit dat een jongere opgroeit in wisselwerking met zijn omgeving. De omgeving is voor elke jongere uniek omdat deze zelf specifieke reacties van de omgeving uitlokt, positief dan wel negatief. Rondom de jongere concentreert zich een aantal systemen.

Het zogenaamde microsysteem is de directe leefomgeving. Het betreft het gezin, de straat, de vriendengroep en de school. Het mesosysteem wordt gevormd door interacties tussen componenten van het microsysteem. Te denken valt aan de relatie tussen ouders onderling, de omgang van de gezinsleden met buurtgenoten en contacten met de wijkagent. Het exosysteem heeft op indirecte wijze invloed op de jongere. Het gaat hier om de werksituatie van de ouders, sociale netwerken, de woonomgeving, de gemeentepolitiek en bijvoorbeeld de religie van het gezin.

Binnen dit ecosysteem kunnen school, buurtwerk en politie veel voor elkaar betekenen. Het gaat volgens mij om drie centrale begrippen: leren, verbinden en handhaven. De school heeft bij uitstek een preventieve functie. De school biedt de jongere mogelijkheden om te leren, met uitzicht op een goed en zorgeloos leven. Leren heeft niet alleen betrekking op de schoolse vakken zoals rekenen, taal en lezen. Het gaat ook om sociaal-emotioneel leren: leren omgaan met jezelf en met anderen. Wie wil slagen in het leven zal belangrijke sociaal-emotionele competenties moeten verwerven: besef hebben van je eigen gedachten en gevoelens, het kunnen reguleren van heftige emoties, het hanteren van verschillende relaties, oog hebben voor de noden van de ander en het nemen van goede beslissingen in conflictsituaties. Anders gezegd: een jongere moet ook sociaal en emotioneel intelligent worden.

Het begrip ‘verbinden’ hoort wat mij betreft bij het buurtwerk en hiertoe reken ik voor het gemak ook alle sportfaciliteiten in de buurt. Het buurtwerk heeft net als het onderwijs een preventieve functie. Het fungeert als een schakel tussen de diverse bewoners van de wijk. Het maakt daarbij niet uit of er sprake is van allochtoon/autochtoon, jong/oud, arm/rijk of een andere tegenstelling. Het buurtwerk brengt samen en verbindt. Door een breed palet aan activiteiten en mogelijkheden tot gesprek kan er op constructieve wijze worden gewerkt aan respect en begrip voor elkaar.

De derde partij is de politie, de wijkagent. Haar kracht zit mijns inziens in het handhaven. Ik heb kunnen ervaren dat de politie tijdens een dienst zo’n gigantische hoeveelheid taken te verwerken krijgt dat er nauwelijks tijd en gelegenheid is voor preventieve taken. In die zin heeft de politie vooral een curatieve functie: recht trekken van zaken die zijn misgelopen.

Ik denk dat school, buurtwerk en politie vooral gebruik moeten maken van elkaars expertise. Versnippering van diensten en verantwoordelijkheden leiden tot onduidelijkheid en een verlies aan zicht op de ontwikkeling van jongeren. Jongeren hebben recht op en baat bij een samenleving die hen eensgezind tegemoet treedt.